
| Naam | Geboren | Omgekomen |
| Walg, Louis Abraham | Rotterdam, 14.08.1909 | Auschwitz, 31.03.1944 |
| Walg-Cohen, Dina Sophia | Rotterdam, 05.10.1908 | Auschwitz, 19.11.1943 |
| Walg, Louis | Den Haag, 03.04.1937 | Auschwitz, 19.11.1943 |
De vader van Louis Abraham Walg was fotograaf. Hij werkte als zogenoemde snelfotograaf en bood twaalf tiptopfoto’s aan voor een kwartje. Met deze formule had hij veel succes. Na de opening van zijn eerste filiaal in Rotterdam breidde hij zijn bedrijf uit naar andere steden. Uiteindelijk verkocht hij deze zaken en opende hij maar liefst zeven vestigingen in Parijs. Toen in 1914 oorlog dreigde, verkocht hij ook deze ondernemingen en keerde hij met zijn gezin terug naar Nederland, waar hij zich opnieuw in Rotterdam vestigde.
Louis werkte in een van de zaken van zijn vader, totdat de firma in 1934 failliet ging. Daarna was hij enkele maanden verkoper van gloeilampen bij een Rotterdams bedrijf. Vervolgens trad hij in dienst bij de Haagse firma Gerson Mol, een Joods textielbedrijf met een breed assortiment, van vrouwencorsetten tot tafelkleden. Een bijzonder product verscheen in 1935: een in kant geweven portret van prinses Juliana.
Dina Sophia Cohen, eveneens geboren in Rotterdam, werkte als lerares handwerken aan een huishoudschool.
Louis en Dina trouwden in 1935 en gingen wonen aan de Broekslootkade 61 in Rijswijk. Twee jaar later werd hun zoon geboren, die binnen de familie Loutje werd genoemd.
In juli 1940 verhuisde het gezin naar de Julianastraat 29. Al snel trokken Dina’s vader en stiefmoeder bij hen in. Later bood het echtpaar ook onderdak aan het Joodse gezin Doodewaard-Godschalk, met hun zoontje Abraham Henri. Beide families moesten of besloten om na de verwoesting van de binnenstad, Rotterdam te verlaten.
Dina’s vader en stiefmoeder verhuisden in juli 1941 naar de Verhagen Metmanstraat. Het gezin Doodewaard-Godschalk vertrok in september van dat jaar naar pension Felicitas aan de Koninginnelaan. Voor beide gezinnen zijn struikelstenen geplaatst: voor de familie Doodewaard-Godschalk in mei 2026 en voor Dina’s vader en stiefmoeder in oktober 2026.
Ook voor Louis en Dina veranderde het leven ingrijpend. De Duitse bezetter nam het textielbedrijf waar Louis werkte onder beheer, waarna hij werd ontslagen en zijn inkomen verloor. Het echtpaar probeerde zich aan de omstandigheden aan te passen door een deel van hun woning te verhuren. Dina adverteerde daarnaast met knipcursussen in de krant.

De bezetter veranderde in mei 1942 de naam Julianastraat in Juliana van Stolbergstraat. Twee maanden later kregen Louis en Dina allebei een functie bij de Joodse Raad. Louis werkte bij de Estafettedienst, die onder meer koeriersdiensten uitvoerde, en was daarnaast personeelschef bij de dienst H.A.V., Hulp aan Vertrekkenden. Dina werkte daar als inpakster. Dankzij hun functies waren zij aanvankelijk vrijgesteld van deportatie.
Eind 1942 kwam het echtpaar Leo Levie en Ganna de Beer vanuit Den Haag, bij hen inwonen. Dina en Ganna kenden elkaar goed, hun moeders Hester en Antje Levie waren zussen.
In diezelfde periode werd op de zolder van de familie Walg een klein schooltje ingericht voor Joodse kinderen. Meester Rozeboom gaf hier les aan een groepje leerlingen uit de buurt, onder wie Loutje Walg en Ida Vos, de latere kinderboekenschrijfster. Sonja Havermans beschrijft dit schooltje in haar boek Terug in Rijswijk: hoe de oorlog voelde voor Ida Vos (2005).
In april 1943 kwam er een einde aan de vrijstelling van het gezin Walg-Cohen. De meeste Joodse inwoners van Den Haag en omgeving waren toen al gedeporteerd. Samen met Leo en Ganna werden Louis, Dina en Loutje geïnterneerd in kamp Vught. Louis en Leo werden vervolgens tewerkgesteld in het buitenkamp Moerdijk, waar zij tankgrachten moesten uitgraven bij de Moerdijkbrug.
In juni 1943 kwam het bericht dat alle kinderen onder de zestien jaar kamp Vught moesten verlaten. Zij zouden worden overgebracht naar een speciaal kinderkamp. Op 6 juni vertrokken ongeveer 1.300 kinderen met hun begeleiders, uit Vught. Ook Loutje vertrok, onder begeleiding van zijn moeder Dina. De volgende ochtend, om half vijf, kwamen zij aan in kamp Westerbork. Een dag later vertrok vanuit Westerbork het grootste transport van Joden uit Nederland tijdens de Duitse bezetting. Verdeeld over 43 veewagons werden 3.017 mensen naar vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd. Dina en Loutje bleven echter in Westerbork achter. Een maand later werden zij daar herenigd met Louis.
Het gezin verbleef nog enkele maanden in Westerbork. Dina stuurde in die periode verschillende briefkaartjes naar vrienden in Rotterdam. Ook ontvingen zij pakketjes met noodzakelijke spullen, zoals een winterjas en zeep. De bewaard gebleven kaartjes vormen een tastbare herinnering aan die laatste maanden.
Op 16 november 1943 werd de quarantaine in Westerbork, ingesteld vanwege een uitbraak van kinderverlamming, opgeheven. De deportaties werden hervat. Diezelfde dag werd ook het gezin Walg-Cohen op transport gesteld. Tijdens de treinreis wist Dina nog een kaartje met een laatste groet naar buiten te gooien.
Bij aankomst in Auschwitz werden Dina en Loutje direct vermoord. Louis werd geselecteerd voor dwangarbeid. Zijn geschatte overlijdensdatum is 31 maart 1944.
