
| Naam | Geboren | Omgekomen |
| Davidson, Louis | Rotterdam, 19.03.1882 | Auschwitz, 09.11.1942 |
| Davidson-van Cleeff, Bertha Frederika | Rotterdam, 18.06.1889 | Auschwitz, 09.11.1942 |
| Davidson, Jeannette Jacoba | Rotterdam, 26.02.1918 | Bergen-Belsen, 11.04.1945 |
Louis Davidson wordt geboren in Rotterdam in 1882, als Levie Davidson. Hij groeit op in een groot gezin met zeven broers en zussen, een familie van wie velen tijdens de oorlog worden vermoord.
Louis, werktuigbouwkundig ingenieur, werkt onder meer bij de Staatsmijnen in Heerlen, bij de werf Gusto in Schiedam en later als directeur van Automatic Screw Works in Nijmegen. Hij is maatschappelijk betrokken, geeft lezingen, zit in commissies en is actief binnen de Rotary.
Bertha Frederika van Cleeff wordt geboren in Rotterdam in 1889. Ze heeft een broer en een zus. In 1912 trouwt zij met Louis. Het paar krijgt twee kinderen: André in 1913, en Jeannette in 1918. Een buurvrouw uit Nijmegen herinnert zich later: “Mevrouw Davidson kon prachtig viool spelen en mijn moeder stond vaak bij de muur van de aangrenzende kamer van haar spel te genieten.”

Foto gezin Davidson-van Cleeff (familiearchief)
Het gezin verhuist vaak voor het werk van Louis. Vanaf 1935 wonen ze aan de Leeuwendaallaan 4. Zoon André woont in Amsterdam. Jeannette komt in 1941 in dienst bij “De Nederlanden” van 1845, de huidige Nationale Nederlanden, waar ze op de typekamer werkt.
In de brieven die de gezinsleden elkaar schrijven, lezen we hoe hun wereld langzaam kleiner wordt, vrienden en kennissen verdwijnen en de regels strenger worden. Ze proberen vast te houden aan het dagelijkse leven. Maar er is ook angst. Jeannette schrijft in november 1942 aan haar broer dat zij gelukkig nog naar kantoor kan gaan, omdat ze thuis “stapelgek” wordt van de voortdurende gesprek over ‘als we wegmoeten’.
Een dag later gebeurt precies dat. Louis, Bertha en Jeannette worden opgepakt en via Den Haag naar Westerbork gebracht. Vanuit het politiebureau schrijven Louis en Bertha nog een brief aan hun zoon André, waarin zij hem vragen sterk te blijven en hopen op een weerzien.
André vindt via de scouting een onderduikadres in Brabant.
In Westerbork worden Louis en Bertha al snel op transport gezet naar Auschwitz. Jeannette ziet haar ouders vertrekken en schrijft later hoe afschuwelijk dat afscheid is geweest. In een brief aan haar broer probeert ze ondanks alles hoopvol te blijven. Ze schrijft dat haar ouders “heel flink” vertrokken zijn, al was het afscheid verdrietig, en dat zij ervan overtuigd zijn elkaar snel weer te zien. Ook schrijft zij dat haar ouders de voortdurende angst van de laatste tijd nu tenminste kwijt zijn.
Op 9 november 1942 worden Louis en Bertha echter, kort na aankomst in Auschwitz, vermoord.
In Westerbork weet Jeannette een uitzonderingspositie te krijgen. Ze krijgt een baan als typiste in het kamp en speelt hobo in het kamporkest.
In haar brieven schrijft zij over haar dagelijkse leven in het kamp, haar werk, het orkest en de pakketten die zij ontvangt. Met spottende humor geeft ze het recept voor het maken van koffie in Westerbork. Ook probeert zij haar broer steeds weer moed in te spreken en waarschuwt hem voorzichtig te zijn.
Op 25 februari 1944, één dag voor haar zesentwintigste verjaardag, wordt Jeannette gedeporteerd naar Theresienstadt. In haar laatste brief schrijft zij hoopvol: “Allen tot weerziens, heel gauw, in een wereld waar vrede zal heerschen.”
Na Theresienstadt volgen Auschwitz en uiteindelijk Bergen-Belsen. Daar, op 11 april 1945, overlijdt Jeannette aan vlektyfus. Vlak voor de bevrijding van het kamp.
André overleeft de oorlog door onder te duiken. Met Lies de Heer bouwt hij samen een leven op waarin ze vier kinderen krijgen.
Op 21 mei 2026 waren twee van hun kinderen en een groot aantal kleinkinderen en achterkleinkinderen aanwezig bij de onthulling van de Stolpersteine voor Louis, Bertha en Jeannette Davidson. Een kleindochter van André heeft daarnaast het initiatief genomen om in samenwerking met andere familieleden in eigen beheer een boek te maken met onder andere de brieven van Jeannette. Tijdens de bijeenkomst werden de eerste exemplaren uitgereikt aan twee, nog levende, kinderen van André.
Lees meer over de familie Davidson

Een naam in messing,
koud in de ochtendstraat.
Mensen lopen verder,
maar even
buigt iemand het hoofd.
Hier werd gelachen,
muziek gemaakt,
geleefd.
Vrienden kwamen binnen
voor koffie en gesprekken,
jassen hingen aan de kapstok,
en ’s morgens vertrokken zij
gewoon naar hun werk.
De oorlog nam de stemmen mee,
de huizen bleven achter.
Tot iemand knielt,
de steen recht legt
en zachtjes zegt:
ze zijn weer thuis.