
| Naam | Geboren | Omgekomen |
| Messcher, Izaäk | Harlingen, 15.09.1910 | Auschwitz, 31.07.1944 |
| Messcher-Swaan, Sara | Den Haag, 14.08.1910 | Auschwitz, 06.03.1944 |
| Messcher, Debora Carola | Den Haag, 07.07.1939 | Auschwitz, 06.03.1944 |
De eerste bewoners van Sparrelaan 17 waren het Joodse echtpaar Izaäk Messcher en Sara Swaan. Op 4 juni 1936, hun trouwdag, trokken zij in de nieuwbouwwoning. De straat lag toen nog aan de rand van Rijswijk, met achter het huis een plantsoen en daarachter uitgestrekte weilanden.
Izaäk werd op 15 september 1910 geboren in Harlingen, in een slagersfamilie. Na het overlijden van zijn ouders in 1925 namen zijn oudere broers het familiebedrijf over. Izaäk volgde een opleiding aan de Slagersvakschool in Utrecht en vertrok daarna naar Den Haag. Daar werkte hij als slagersknecht en later als bedrijfsleider in de vleeshandel.
In 1933 sloot hij zich aan bij de Joodse vereniging T.O.P. (Toneel, Ontwikkeling en Philantropie), waar sociale, culturele en sportieve activiteiten werden georganiseerd. Via deze vereniging leerde hij waarschijnlijk Sara Swaan kennen.
Sara, geboren op 14 augustus 1910 in Den Haag, kwam eveneens uit een familie die actief was in de vlees- en veehandel. Ze was een energiek en betrokken lid van T.O.P.: ze speelde toneel, deed aan korfbal en was actief in commissies en het bestuur. In een clubblad werd ze omschreven als “the right girl on the right place.”
Na hun huwelijk gingen Izaäk en Sara wonen aan de Sparrelaan. In 1939 werd hun dochter Debora Carola geboren, vernoemd naar haar beide grootmoeders. Kort daarna brak de oorlog uit.
Vanaf 1940 verslechterde de situatie voor Joden snel. In 1941 werd het familiebedrijf van Sara’s vader, waarin ook Izaäk inmiddels mede-eigenaar was, door de Duitse bezetter overgenomen en geliquideerd. Familieleden werden gedwongen te verhuizen en uiteindelijk gedeporteerd.
Izaäk en Sara lieten zich registreren via de zogeheten Weinreb-lijst, die bescherming tegen deportatie beloofde, maar zij zullen hier niet volledig gerust op zijn geweest. In oktober 1942 besloten Izaäk en Sara onder te duiken. Hun dochtertje Debora werd elders ondergebracht. Het pand aan de Sparrelaan werd 27 oktober 1942 door de Rijswijkse politie verzegeld.
Niet lang nadat Izaäk en Sara waren ondergedoken, kwam hun dochtertje Debora in beeld bij de politie. Op 4 november 1942 meldde Dirk Tinbergen zich bij de Haagse kinderpolitie. Zijn vrouw had de dag ervoor een jong meisje in huis genomen dat door een onbekende vrouw achterop de fiets was gebracht en daar was achtergelaten.
De politie startte direct een onderzoek, vastgelegd in een uitvoerig proces-verbaal (nr. 1901). Het meisje werd nauwkeurig beschreven: een flink meisje van ongeveer drie à vier jaar oud, met donkerblond haar en grijsblauwe ogen. Ze droeg een bril en keek enigszins scheel. Haar kleding werd tot in detail genoteerd en er werden foto’s van haar gemaakt.
Tijdens het verhoor zei het meisje dat ze Debora heette en noemde als adres iets wat klonk als “Spaarne-” of “Sparrelaan/-straat”. Onderzoek bij de gemeente wees al snel in de richting van Debora Carola Messcher, geboren op 7 juli 1939 in Den Haag, dochter van Izaäk Messcher en Sara Swaan uit Rijswijk.
Toen de foto van het meisje aan de politie in Rijswijk werd getoond, volgde bevestiging. Agent Cornelis van der Does herkende haar direct als zijn achterbuurmeisje van de Sparrelaan. Daarmee stond haar identiteit vast.
Kort daarna verscheen in het Algemeen Politieblad een opsporingsbericht voor Izaäk en Sara. Zij werden gezocht op verdenking van het ‘in de steek laten’ van hun kind. Een formulering die in de praktijk werd gebruikt om aan te geven dat de ouders waren ondergedoken
Hoewel mevrouw Tinbergen had aangegeven dat zij bereid was Debora tijdelijk in huis te houden, werd het meisje uiteindelijk ergens anders ondergebracht. Begin januari 1943 werd zij ingeschreven bij het gezin de Voogd – van Bergen in Den Haag.
Op 16 november 1943 werden Sara’s broer en diens vrouw door ambtenaren van de S.D. opgepakt in een woning aan de Cromvlietkade. Izaäk en Sara werden door de Rijswijkse politie gearresteerd aan de Kerklaan 48 in Rijswijk. Allen werden naar het politiebureau gebracht en van daaruit met een rode auto overgebracht naar de Nieuwe Parklaan in Den Haag. In Villa Windekind was de S.D. gevestigd, die zich bezighield met de opsporing en arrestatie van Joden.
Uit de cartotheekkaarten van de Joodse Raad blijkt dat het complete gezin Messcher - Swaan, evenals het gezin van Sara’s broer uit Voorburg, eind november 1943 op dezelfde dag in Kamp Westerbork werden ingeschreven. Ze werden ondergebracht in barak 67, één van de drie zogenaamde strafbarakken waar een strenger regime gold. Deze barakken waren voornamelijk bestemd voor opgepakte onderduikers.
Op 3 maart 1944 volgde transport naar Auschwitz. Bij aankomst, drie dagen later, werden Sara en Debora direct vermoord. Izaäk werd vermoedelijk nog enige tijd als dwangarbeider ingezet, maar was ook enkele maanden later niet meer in leven.

Debora Messcher, foto proces-verbaal 1942