
| Naam | Geboren | Omgekomen |
| Cohen, David Anton | Rotterdam, 29.04.1881 | Auschwitz, 09.11.1942 |
| Cohen-Vlessing, Berendina | Texel, 13.08.1882 | Auschwitz, 09.11.1942 |
David Anton Cohen werd geboren in Rotterdam. Hij was de zoon van koopman, Hartog David Cohen en Dina Gazan. Hij had drie zussen en een broer. Zijn zus Rijntje, was verpleegkundige. Zij werd op 59-jarige leeftijd vermoord in Auschwitz. Zijn twee andere zussen overleden al als peuter. Broer Antonie overleefde de oorlog en stierf op 86-jarige leeftijd in de Bronx, New York. Waarschijnlijk is hij voor de oorlog al geëmigreerd naar Amerika.
David trouwde met Hester Levie, die was geboren in Zuidland. Zij was een dochter van Nathan Pinas Levie en Sophia Hartogs. Samen gingen zij wonen aan de Infirmeriestraat 7A in Rotterdam. David werkte als handelsagent in oliën en vetten.
In Rotterdam werden hun twee kinderen geboren: dochter Dina Sophia en zoon Nathan. In 1932, overleed Hester op 50-jarige leeftijd. Drie jaar later hertrouwde David met Berendina Vlessing, afkomstig van Texel. Zijn kinderen noemden haar tante Be.
Aan het begin van de Duitse bezetting woonden David en Berendina aan de Boezemsingel. Die straat lag net buiten de brandgrens van Rotterdam, het gebied dat geheel verwoest werd door de brand ontstaan na het bombardement in mei 1940.
juli ´40
In juli 1940 zette David een uitschuiftafel en een paar schilderijen te koop. Een paar maanden later, in oktober verhuisden hij en Berendina naar de Julianastraat 29 in Rijswijk. Op dit adres woonde zijn dochter Dina met haar gezin. Ongeveer 9 maanden later verhuisde het echtpaar opnieuw, ditmaal naar de Verhagen Metmanstraat 14. Dit zou hun laatste woonadres worden.
In oktober 1942 kwam het gezin Cohen-Coltof ook aan de Verhagen Metmanstraat wonen. Vader Jacques Schlicher Cohen, moeder en hun drie kinderen. Zij waren geen familie van David, maar kwamen net als zij uit Rotterdam. Ook Jacques werkte als agent in oliën. Hun woning aan de Vondellaan in Rijswijk, was door de Duitse bezetter onteigend.
In het archief van Kamp Westerbork vonden we een briefkaart die David Cohen, in november 1942 vanuit Rijswijk aan zijn zoon Nathan in Amsterdam stuurde.

Op 3 november 1942 werden David en Berendina opgepakt en naar Westerbork vervoerd. Drie dagen later, werden zij op transport gesteld naar Auschwitz. Daar werden zij op 9 november 1942 vermoord.
Op 3 november werden ook, de toen nog thuiswonende leden van het gezin Cohen-Coltof opgepakt. Ook voor hen zou de Verhagen Metmanstraat hun laatste woonadres zijn. Voor het gezin Cohen-Coltof worden aan de Vondellaan struikelstenen geplaatst, op het adres waar zij woonden voordat zij gedwongen moesten verhuizen.
De geschiedenis van Nathan en Jetty
Terwijl David en Berendina vanuit Westerbork naar Auschwitz werden gedeporteerd, waren zoon Nathan en zijn vrouw Jetty nog in Amsterdam. Nathan werkte bij de Joodse Raad als inspecteur bij de afdeling geldelijke beheer. Jetty werkte bij het Bureau Sociale Zaken. Door hun functies hadden zij aanvankelijk een Sperre en waren zij vrijgesteld van deportatie. Maar deze bescherming bleek slechts tijdelijk.
Op 20 juni 1943 werden Nathan en Jetty geregistreerd in Westerbork. Nathan kreeg daar werk bij het postkantoor. Na ongeveer acht maanden werden zij op transport gesteld naar Bergen-Belsen.
In april 1945 werden Nathan en Jetty weer geselecteerd voor transport. Zij kwamen terecht in de laatste trein die uit Bergen-Belsen vertrok. In de trein zaten totaal zo’n 2500 gevangenen, onder wie veel Nederlanders. Tien dagen lang reden zij zonder voedsel door Duitsland. Bij Tröbitz werden zij uiteindelijk door het Rode Leger bevrijd.
Honderden mensen hadden de reis niet overleefd. Nathan en Jetty wel. Zij zouden uiteindelijk, ruim 62 jaar met elkaar getrouwd blijven.

Op 17 oktober 2026 werden de struikelstenen onthuld in aanwezigheid van twee buren die als kleine jongens getuige waren geweest van de arrestatie van de toenmalige bewoners.